De wereld is vol magie

Ik ben bezig enkele preken over Genesis 1–3 online te plaatsen op mijn website (onder Preken, Oude Testament, Genesis). Daarbij probeer ik een weg te wijzen uit de vaak vruchteloze discussie over schepping en evolutie.

Enkele gedachten ter overweging:

  1. De goden van Egypte, Kanaän en Mesopotamië stellen in werkelijkheid niets voor. Alles wat daar als godheid werd vereerd – zon, maan, dieren, planten en rivieren – wordt in Genesis voorgesteld als iets dat door één enkel woord van JHWH is geschapen.
  2. Die zogenoemde goden (zon, maan, dieren, planten en rivieren) zijn niet geschapen om door mensen gediend te worden, maar juist ten dienste van de mens. In de heidense religies waren tempeltuinen bedoeld om voedsel voort te brengen voor de goden. In Genesis is het precies andersom: JHWH geeft de tuin aan de mens om hem te voeden en te onderhouden. Niet de mens is er voor de goden, maar de schepping is er voor de mens.
  3. De schepping wordt beschreven in termen die doen denken aan de bouw van een tempel. De wereld is Gods heiligdom, waarin de mens als priester wordt geplaatst. Tempels in de oudheid waren vaak opgezet als een afspiegeling van het universum: plafonds met zon, maan en sterren, zuilen in de vorm van bomen, enzovoort. Dat geldt ook voor de tempel van Salomo.
  4. Wanneer een tempel voltooid was en de inwijdingsrituelen waren afgerond, werd als laatste het beeld van de godheid naar binnen gebracht. Dat beeld was niet de god zelf, maar zijn representatie. Op vergelijkbare wijze wordt in Genesis 1 de mens als laatste in de schepping geplaatst. Hij is het beeld en de gelijkenis van God.
  5. Op de zevende dag neemt God zijn intrek in zijn tempel. Dat God “rust” betekent niet dat Hij vermoeid zou zijn geraakt. In de taal van de oudheid verwijst rusten naar het wonen en regeren van een godheid in de voltooide tempel. Niet alleen de representant van God, maar God Zelf komt in de wereld wonen.
  6. Wanneer de mens zich neerbuigt voor afgodsbeelden, verlaagt hij zichzelf. De mens is immers zelf Gods beeld, terwijl de gehele schepping aan hem is toevertrouwd. Hoe tragisch is het dan wanneer hij zich onderwerpt aan datgene wat juist bedoeld is om hem te dienen?
  7. Er bestaat in de Bijbelse wereld geen scherpe scheiding tussen natuur en bovennatuur. De wereld is de plaats van Gods werkelijke aanwezigheid; Hij woont in zijn tempel en is overal werkzaam. Dat is het wereldbeeld van de oudheid, en ook dat van Israël. Wie zich niet laat meeslepen door een theologie die mens en wereld uitsluitend vanuit hun gebrokenheid beziet, kan meer oog krijgen voor Gods aanwezigheid in zijn schepping. De wereld is meer dan een verzameling materiële processen; zij is Gods tempel, vervuld van zijn tegenwoordigheid, vol van magie.