Een paar gedachten die door mijn hoofd dwarrelden bij het lezen van Psalm 50 (51). Daar zegt David het volgende:
Psalm 51:6–7 (HSV)
“Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen,
zodat U rechtvaardig bent wanneer U rechtspreekt
en rein bent wanneer U oordeelt.
Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren,
in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.”
In de liturgie wordt deze Psalm veel gebruikt als model voor schuldbelijdenis. Vaak wordt gesuggereerd dat deze Psalm een schuldbewuste reactie op David die zich Batseba wederrechtelijk toeëigende en haar man bewust liet omkomen aan het front in een oorlog.
David zag haar, wilde haar en nam haar. De machtsverhouduing was zo groot dat we dit tegenwoordig misbruik noemen.
Voor het geval u het verhaal niet kent, Batseba’s man Uria was op moment aan het front om namens David oorlog te voeren. Maar Batseba bleek zwanger en David wilde niet dat uitkwam dat hij Batseba had bezwangerd. Om het probleem op te lossen liet David Uria naar Jeruzalem komen en probeerde hem ertoe te brengen bij zijn vrouw te slapen, zodat het kind als Uria’s kind zou worden beschouwd. Maar Uria weigerde, omdat zijn medesoldaten in het veld waren. Hij was loyaal.
Toen bedacht David een veel donkerder plan. Hij stuurde Uria terug naar het front met de opdracht hem op een gevaarlijke plaats te zetten en hem vervolgens alleen te laten. Uria werd inderdaad gedood. Daarna nam David Batseba tot vrouw. Zij baarde hem een zoon.
Maar God zag wat David had gedaan. God stuurde de profeet Nathan naar David. Nathan vertelde hem een verhaal over een rijke man die een arm man zijn enige geliefde lam afnam, terwijl de rijke zelf genoeg dieren had. David werd woedend en zei dat zo’n man gestraft moest worden. Toen zei Nathan tegen David: “U bent die man!”(2 Samuël 12:7) Nathan maakte duidelijk dat David zelf precies hetzelfde had gedaan: hij had Uria’s vrouw genomen en Uria laten doden.
David antwoordde eenvoudig:“Ik heb tegen de HEERE gezondigd.” (2 Samuël 12:13)
Nathan verkondigde vervolgens Gods oordeel. Het kind dat uit deze verhouding geboren was, zou sterven. Ook zou het zwaard niet van Davids huis wijken. Het kind werd ziek en stierf na zeven dagen.
De Psalm is David’s schuldbewuste reactie hierop. Hij neemt de volle verantwoording voor zijn daden op zich een kan het idee van zijn zonden maar niet uit zijn gedachten bannen.
Wanneer David zegt: “Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd” (Psalm 51:6), is dit geen ontkenning van het kwaad dat anderen is aangedaan. Integendeel, David belijdt juist dat iedere zonde begaan tegen een ander mens, uiteindelijk een overtreding tegen God is, omdat Zijn wet is geschonden.
De woorden “Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.” (Psalm 51:7) zijn geen theologische uitspraak van David, maar een uitdrukking van zijn besef wat een kwaadaardige daad hij heeft begaan. Ik denk dat we het niet moeten gebruiken als onderdeel van een theologie over erfzonde – of erfschuld. Data idee bestond in Israel in de tijd dat deze Psalm werd geschreven in elk geval niet. Daarmee wil ik niet zeggen dat met de appel van Adam en Eva niets iets faliekant verkeerd ging met de mensheid, maar de hele theologische constructie van erfzonde en erfschuld laat ik graag aan me voorbijgaan. Ik waardeer de Orthodoxie benadering meer.
David zoekt niet slechts naar vergeving, maar naar innerlijke genezing en vernieuwing. Zijn gebeden om gewassen en gereinigd te worden en om een rein hart te ontvangen, laten het orthodoxe verstaan zien dat berouw een genezend en transformerend proces is. Psalm 51 wordt daarom in de Koptische Kerk gebruikt als de dagelijkse leerschool van het berouw: hij leert nederigheid, een eerlijke belijdenis van zonde, vertrouwen op Gods barmhartigheid en de hoop op volledige geestelijke herstelling.




