Naar aanleiding van wat ik onlangs schreef over uitverkiezing naar aanleiding van Romeinen 9.21-24, vroeg een goede broeder hoe ik dan denk over Handelingen 13.48, waar we lezen: “… en er geloofden er zovelen als er bestemd waren voor het eeuwige leven.” (Herziene Statenvertaling, HSV)
Voor wie denkt vanuit het calvinistische schema waarin God voor alle eeuwen besloot wie wel of niet tot geloof zal komen, is de tekst duidelijk: Wie bestemd zijn voor het eeuwige leven, komen door die bestemming (door God) tot geloof.
Voor de taalgeleerden onder u, het Grieks van Lukas zegt hier: καὶ ἐπίστευσαν ὅσοι ἦσαν τεταγμένοι εἰς ζωὴν αἰώνιον· Een zo letterlijk mogelijke vertaling is:
“En geloofden allen die bestemd waren tot eeuwig leven.”
Als je de Griekse woorden één voor één volgt:
- καὶ = en
- ἐπίστευσαν = geloofden
- ὅσοι = zovelen als / allen die
- ἦσαν = waren
- τεταγμένοι = geordend, aangewezen, bestemd, geplaatst (voltooid passief deelwoord van τάσσω, “ordenen, aanwijzen, bestemmen”)
- εἰς = tot / naar
- ζωὴν αἰώνιον = eeuwig leven
De vertaling van de HSV is dus prima. Er wordt door theologen die onder de Calvinistische druk uitwillen, geprobeerd om een oplossing te zoeken in de nuances van het Griekse woord. Ik denk dat dit gekunsteld is. De prima facie manier om het vers te begrijpen is echt dat God de impliciete handelende persoon is: Hij heeft deze mensen bestemd voor het eeuwige leven. Hun geloof is het gevolg van Gods voorafgaande verkiezing.
Maar laten we directe context er bij nemen. Hier het bijbelgedeelte:
Handelingen 13.42-50
Paulus en Barnabas verkondigden het evangelie in Antiochie (Pisidië)
42. En toen de Joden weggegaan waren uit de synagoge, drongen de heidenen erop aan dat op de volgende sabbat dezelfde woorden tot hen gesproken zouden worden.
43. En toen de synagoge uitgegaan was, volgden velen van de Joden en van de godvrezende proselieten Paulus en Barnabas. Die spraken tot hen en spoorden hen aan om bij de genade van God te blijven.
44. En op de volgende sabbat kwam bijna heel de stad samen om het Woord van God te horen.
45. Maar toen de Joden de menigten zagen, werden zij met afgunst vervuld en spraken tegen wat er door Paulus gezegd werd; zij spraken niet alleen tegen, maar lasterden ook.
46. Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig:
Het was nodig dat het Woord van God eerst tot u gesproken zou worden,
maar aangezien u het verwerpt en uzelf het eeuwige leven niet waard oordeelt, zie, wij wenden ons tot de heidenen.
47. Zo immers heeft de Heere ons geboden:
Ik heb u tot een licht voor de heidenen gesteld, opdat u tot zaligheid zou zijn tot aan het uiterste van de aarde.
48. Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen het Woord van de Heere, en er geloofden er zovelen als er bestemd waren voor het eeuwige leven.
49. En het Woord van de Heere verbreidde zich door heel het land.
50. Maar de Joden stookten de godvrezende en aanzienlijke vrouwen en de voornaamsten van de stad op en ontketenden een vervolging tegen Paulus en Barnabas, en zij verdreven hen uit hun gebied.
Het lijkt me ontegenzeglijk dat Lukas zijn vers 48 schreef als rechtstreeks ‘commentaar’ op vers 46. Joden in Antiochië verwierpen het evangelie en Paulus legt daarvoor de volle verantwoording bij henzelf. “U verwerpt” het Woord van God en “u oordeelt uzelf het eeuwig leven niet waard.” Elke suggestie dat ze het niet konden helpen want dit was nu eenmaal Gods eeuwige raadsbesluit, ontbreekt. Het was hun eigen keus.
De reden dat deze Joden zich tegen Paulus en Barnabas keerden, was hun jaloezie toen ze zagen dat de heidense menigten interesse toonden in de verkondiging van Paulus en Barnabas. (Zie Han. 13.43,45) Waarschijnlijk was vooral het Joodse gevoelen dat goed nieuws van God toch eigenlijk voor hun en niet voor die heidenen was bestemd, hier de achtergrond.
Ik denk dat Lukas met zijn uitspraak over ‘voorbestemming’ in Han. 13.48 wilde onderstrepen dat Joden deze heidenen weliswaar wilden weghouden van Gods heil, maar dat God ze zelf hiertoe had bestemd. Die heidenen die tot geloof kwamen, waren Gods werk. Hij werkte niet meer alleen onder Joden, maar ook onder de volken. Het was Gods besluit dat ook heidenen deel zouden krijgen aan het eeuwige leven, en de heidenen die tot geloof kwamen waren daarvan het bewijs. Al deze heidenen die tot geloof kwamen, waren door God hiertoe bestemd. Dat moet dus worden verstaan als een contrast met de Joden die niet geloofden. Het suggereert niet dat andere heidenen die niet tot geloof kwamen, daarom bestemd waren om niet tot geloof te komen.
Door Han 13.48 zo te lezen, is het ineens niet langer een losse ‘bewijstekst’ voor een algemene uitverkiezingsleer, maar een uitspraak die samenhangt met het evangelie dat nu ook naar de heidenen ging, en dat met Gods volle instemming. Het was Zijn bedoeling. Het gaat niet over de vraag of wie tot geloof komt dat alleen doet omdat God hem daartoe heeft bestemd, dat is hier helemaal niet aan de orde.




